Spreekbeurten & Werkstukken
| | Tips voor een spreekbeurt of werkstuk |
1. Schrijf op wat je al weet. Schrijf in het midden van een vel papier hoe je spreekbeurt of werkstuk heet. Bijvoorbeeld Batterijen. Schrijf daaromheen woorden die met batterijen te maken hebben. Je weet er vast heel veel.
2. Bedenk wat je wilt vertellen of schrijven. Verzin vragen bij je onderwerp. Schrijf de vragen ook op het vel papier. Bijvoorbeeld:
* Wat zijn batterijen?
* Wie vond batterijen uit?
* Welke soorten batterijen heb je?
* Kun je zelf batterijen maken?
* Wat kun je doen met lege batterijen?
3. Zoek informatie op internet of in de bibliotheek. Kun je niet alle vragen zelf beantwoorden? Zoek dan verder in de bibliotheek of op internet. Op deze site vind je heel veel informatie over batterijen en uitleg van belangrijke woorden. Kijk maar of de antwoorden op jouw vragen erbij staan.
4. Schrijf je spreekbeurt of werkstuk. Als je alle antwoorden op je vragen hebt, kun je gaan schrijven. Wat zou je zelf als eerste willen weten over een batterij? Maak hoofdstukken. Bijvoorbeeld:
* De uitvinding van de batterij
* Batterijen in soorten en maten
* Schadelijke stoffen in batterijen
* Recycling van batterijen Let er bij een werkstuk op dat je de informatie veel aandacht geeft. De informatie is namelijk het belangrijkste. Schrijf alle informatie op. Haal daarna alle overbodige informatie weg. Je houdt dan alleen informatie over die echt bij jouw onderwerp en hoofdstukken past. Lees de tekst nog eens door als die helemaal klaar is. Je zult er dan vast nog wel wat schrijffouten uithalen. Pas als dat helemaal goed is, ga je het werkstuk mooi maken. Allereerst met plaatjes. Let er op dat ieder plaatje wat te maken heeft met de tekst die erbij staat.
Als je een spreekbeurt voorbereidt, schrijf de informatie dan in een lijst met losse woorden op.
Bedenk daarna wat je tijdens je spreekbeurt wilt laten zien. Batterijen zelf natuurlijk, maar ook apparaten waar batterijen inzitten. Je horloge, een wekker of een fototoestel. Je kunt ook in de klas de apparaten met batterijen aanwijzen.
5. Spreekbeurt: Schrijf de belangrijkste informatie in losse woorden op. Heb je alle informatie voor je spreekbeurt gevonden? Kijk dan eens goed naar die woordenlijst met informatie. Er staan vast veel informatie op die je al uit je hoofd kent. Streep die woorden door en schrijf het lijstje met overgebleven woorden nog eens over. Schrijf groot, anders moet je het tijdens de spreekbeurt vlak voor je neus houden. En dat is niet de bedoeling! Het lijstje moet er straks voor zorgen dat je alles in de goede volgorde vertelt. De meeste informatie hoort niet op dat lijstje te staan, maar in je hoofd te zitten!
6. Spreekbeurt: Even oefenen. Oefen je spreekbeurt een keer hardop, zonder mensen erbij. Praat maar rustig, dan kan iedereen je straks goed verstaan. Neem ook de tijd op. Je verhaal hoeft echt geen uur te duren, maar vijf minuten is weer te kort. Probeer het daarna eens met je ouders of je vrienden erbij, of neem de spreekbeurt op op video. Als je naar jezelf luistert, welke vragen heb je dan? Deze vragen stellen ze straks in de klas misschien ook. Kijk of je de antwoorden kunt vinden!
7. Spreekbeurt: Houd de spreekbeurt in de klas. Zet de spullen die je wilt laten zien van tevoren neer, zodat iedereen ze goed kan zien. Leg je woordenlijstje op een plek waar je het goed kan zien. Daar sta je dan... vertel waar de spreekbeurt over gaat en noem de hoofdstukken. Zeg ook dat iedereen vragen mag stellen, maar wel na afloop! Houd af en toe een van je spullen omhoog. Laat ze niet de klas rondgaan, want dan hoort niemand meer wat je zegt. Kijk alleen op je woordenlijst als het echt nodig is. Dan ben je echt bezig met een SPREEKbeurt! Als je klasgenoten vragen hebben, weet je misschien niet elk antwoord. Dat geeft niet. Je kunt dan vertellen waar ze het antwoord misschien kunnen vinden. Vraag het anders aan je meester of juf.